Sam Bogaerts 2008

Zijn of spelen?

Om heden ten dage bij een theatervoorstelling geloofwaardig te zijn, volstaat een louter technische uitvoering of reproductie van ingestudeerde houdingen, gebaren en teksten al lang niet meer. De toeschouwer is verwend door een schijnbare naturel, zoals die meestal te zien is op televisie en in films. Maar die naturel volstaat niet voor een kunstzinnige dramatische expressie, de realiteit heeft op zichzelf onvoldoende dramatische zeggingskracht: Er is misschien wel herkenning, maar er ontbreekt reflectie en er worden geen standpunten ingenomen. Enkel door middel van o.a. verschuivingen, herhalingen en vervormingen kunnen er theatertekens en betekenissen ontstaan.

Daarnaast is de grootste kracht van drama of theater de actualiteit, de gebeurtenis. Dramatische kunst onderscheidt zich van andere kunstvormen doordat het leeft, er kan onverwachts iets gebeuren, het kan zelfs behoorlijk fout gaan. Deze onvoorspelbaarheid is spannend, het scherpt de aandacht, alles wat er gebeurt of alles wat zich afspeelt binnen het moment of in een hier en nu brandt herinneringen in het korte en lange termijngeheugen van de toeschouwer, of beter, de getuige. Vanuit die scherpe herinneringen kan reflectie ontstaan, en een kunstzinnige nawerking die het naturel, de realiteit of herkenning overstijgt.

Om het spelen als gebeurtenis te kunnen ervaren moet er door de acteurs zeer ad rem en origineel worden gereageerd op wat medespelers, publiek of toevallige omstandigheden aanreiken. Ook moeten de afspraken die tijdens repetities ontstaan voldoende ruimte laten voor wat we gemakshalve improvisatie noemen. In feite wordt het kader waarbinnen kan worden geïmproviseerd beperkt tot wat direct waarneembaar is, tot het uiterlijke, want de doelstellingen van de scène die gespeeld wordt mag niet veranderen. Immers, de betekenissen van de voorstelling zelf mag niet afhankelijk zijn van enig toeval. Maar de kwaliteit van de geïmproviseerde onderdelen bepaalt de geloofwaardigheid en de waarachtigheid. Hoe meer de speler zich openstelt voor het onverwachte, met heel zijn wezen - denken, voelen, handelen -, hoe meer gebeurtenis. Vanuit deze gedachtegang kan er worden gesproken van het zijn binnen het spelen.

Spelrepetities zijn er vooral om een repertoire aan mogelijkheden op te bouwen en af te tasten, terwijl bepaald wordt wat de doelstellingen zijn binnen de scènes. Pas als de doelstellingen helder zijn, wordt improvisatie een belangrijk middel om die inhoud tot bij een publiek te dragen en in het geheugen te branden. Daarom mag een voorstelling nooit een duplicaat zijn van de vorige avond, of van het resultaat van een repetitieproces, maar moet ze telkens weer opnieuw ontstaan. Voorstelling na voorstelling worden andere accenten gelegd binnen scènes en krachtmetingen, en ontstaan er andere perspectieven. Een voorstelling is nooit af, is nooit perfect, kan altijd beter, blijft altijd kwetsbaar en heeft ten allen tijde een menselijk gezicht. De aanwezigheid van publiek wordt nooit ontkend, maar juist opgezocht. Het spelen met conventies is vanzelfsprekend en hoort bij de stijl. Deze stijl wordt niet bepaald door een vormgever of een kleur of een lijn, maar door het doen en denken van de spelers.

Sam Bogaerts | 20081030

arrow up | pijl naar boven