Jean Rhys

"Als ik had mogen kiezen, was ik liever gemiddeld gelukkig geweest dan dat ik welke literaire prijs dan ook had gekregen."

Jean Rhys werd geboren op het eiland Dominica in 1890. Haar vader was een arts, afkomstig uit Wales. Haar moeder was een creoolse: een blanke die in West-Indië geboren en getogen is. Door haar afkomst was Jean Rhys een buitenstaander. Op haar zestiende ging ze naar Londen waar ze als cabaretdanseres werkte. Ze was al in de dertig toen ze op aanmoediging van schrijver Ford Madox Ford begon te schrijven. Ze woonde enige tijd in Parijs en Wenen en trok zich daarna terug in Cornwall, miskend en aan de drank, want hoewel critici vol lof waren over haar werk hadden haar boeken maar matig succes. Ze waren hun tijd ver vooruit, in stijl en in mentaliteit. Na 27 jaar stilzwijgen verscheen er in 1966 een nieuwe roman van haar hand: Wide Sargasso Sea. Ze baseerde het boek op een bijfiguur uit de roman Jane Eyre van Charlotte Brontë (1847). In Wide Sargasso Sea geeft Jean Rhys deze "eerste vrouw van Mr. Rochester", over wie niet veel meer wordt gezegd dan dat ze in Engeland waanzinnig wordt, een voorgeschiedenis, die van Antoinette Cosway.

Wide Sargasso Sea

Antoinette Cosway brengt haar kinderjaren door op een plantage, vlak na de afschaffing van de slavernij. Het was een eenzame jeugd: de zwarten accepteerden haar niet vanwege haar blanke huidskleur, de blanken niet vanwege haar zonderlinge familie. Ze brengt haar dagen door in afzondering, temidden van het weelderige, betoverende landschap van Jamaica. Eenmaal volwassen trouwt een Engelsman haar om haar geld. Hij is gefascineerd door haar zinnelijkheid en de verwilderde blik in haar ogen, maar blijkt niet in staat haar werkelijk lief te hebben. Hij neemt haar mee naar Engeland. In deze kille onbekende wereld verliest Antoinette zichzelf en de grip op de werkelijkheid: "Ze zeggen dat dit Engeland is, maar ik geloof er niets van. Op weg naar Engeland zijn we verkeerd gegaan. Wanneer? Waar? Ik weet het niet meer, maar we zijn verdwaald."

Rhys's central theme - the essential loneliness of existence, what Rhys's editor Diana Athill called the child in all of us, lost in a supermarket and finding the world too dark and too big - is timeless.

taal

Veel stukken uit Wide Sargasso Sea heeft Jean Rhys eerst als gedicht geschreven. Die dichtregels zette ze vervolgens als proza achter elkaar. Jean Rhys schrapte ongelooflijk veel bij de totstandkoming van haar boek Sargasso Zee. Toen het uiteindelijk klaar was bleek ze ontevreden omdat er naar haar zeggen "twee onnodige woorden in stonden"; het ene was then, het andere quite. Het resultaat van deze schrapmethode zijn korte zinnen, veelvuldig gebruik van een-lettergrepige woorden, herhalingen en een opvallend ritme in de taal. Ze schrijft gereserveerd, zakelijk bijna, ieder woord lijkt gewogen. Maar tussen de woorden door is er een constante lading voelbaar, waardoor je als lezer in de opgeroepen sfeer wordt meegezogen. Je voelt, proeft, ruikt en ziet de tropische bries, het stugge katoen van de jurk, de hitte van het vuur, de smaak van de pot van Christophine, de bedwelmende geur van de orchideeën, de eenzaamheid temidden van de weelderige omgeving en de kilte van het Engelse huis.

Er zijn maar weinig boeken die zo’n zintuiglijke ervaring kunnen teweeg brengen: alsof je betoverd wordt door de taal. Maar nooit sentimenteel, altijd suggestief, op afstand. Je wordt onderdeel van de wereld van Antoinette en tegelijkertijd beschouw je haar wereld van op afstand. In de voorstelling zoeken we ook in de vorm naar deze dubbelheid. We noemen dat transparante geslotenheid: de hartstocht van de emotie in een helder gekozen vorm. Onderkoeld en zinnelijk tegelijk.




l'homme écrit pour être aimé, la femme pour être libre

door Ronny De Schepper | quote van Marina Bianchi

In 1996 sleepte de actrice Pascale Roze de Prix Goncourt in de wacht. De Afrikaanse Calixthe Beyala kreeg de Grand Prix de l’Académie Française. De Prix de Médicis was voor de Belgische Jacqueline Harpman en, last but not least, de Prix Femina zelf ging naar Geneviève Brisac. Een jaar later waren - ongetwijfeld niet toevallig - 40 procent van de romans bij de grote Franse uitgeverijen geschreven door vrouwen. Dat was dubbel zoveel als tien jaar daarvoor. De reden daarvoor is wellicht te zoeken bij mercantilistische motieven. De gemiddelde lezer is immers een lezeres en daarom zijn uitgevers stilaan tot de overtuiging gekomen dat die misschien ook wel het best bediend worden door vrouwen.

"Vijfenzestig à zeventig procent van de leden zijn vrouwen," zegt Renée Swaalf van de ECI-boekenclub aan Marijke Arijs in de Standaard der Letteren van 25/12/1998, "en dat heeft consequenties voor het aanbod. De algemene romans blijven een belangrijke plaats innemen, maar we groeien in hedendaagse literatuur, die meer door jongere vrouwen wordt gelezen."

Want er zijn inderdaad 'mannenboeken' en 'vrouwenboeken'?

"Zo zit het nu eenmaal in elkaar. Daar hoef je niet kinderachtig over te doen. Al heb je ook auteurs, zoals John Grisham, die de beide geslachten in gelijke mate aanspreken. Bij de klassieke literaire werken zien we geen significante verschillen. Wel is er een algemene trend naar meer kwaliteit. Romantische fictie spreekt vooral oudere vrouwen aan en is op haar retour. Jongere vrouwen zijn hoger opgeleid en gaan steeds meer intellectuele boeken lezen."

Al dient dit helaas meteen ook weer gerelativeerd…

"Die toename zit vooral in (...) boeken over spiritualiteit, psychologie, zelfhulp en persoonlijkheidsontwikkeling."

Haar Vlaamse collega Marie-Jeanne De Visscher ziet trouwens zelfs bij die jongere vrouwen weer "een verschuiving naar romantische fictie. Zijn die twintigers een product van de soapcultuur, heeft het iets te maken met een fin de siècle-gevoel of willen ze vluchten uit een wereld die almaar harder en veeleisender wordt? Wie zal het zeggen?"

Maar waar komen die schrijfsters dan allemaal plotseling vandààn? In het slechtste geval (de Amerikaanse detectiveschrijfster Karen Sturges b.v.) heel duidelijk uit de lessen creative writing die ze in hun vrije tijd hebben gevolgd. Maar er zijn er gelukkig ook andere…

vrouwvijandig of juist niet?

De literatuur is in het verleden nochtans eerder gekenmerkt geweest door een vrouwvijandig klimaat. Denken we maar aan de reeds genoemde Prix Goncourt b.v. De misogynie van zijn stichters getrouw, duurde het veertig jaar voor een vrouw met de prijs werd bedacht (Elsa Triolet) en pas in 1945 veroverde Colette als eerste vrouw een zitje in de Académie Goncourt. Ongetwijfeld was Joris-Karl Huysmans ("Pas de jupons chez nous!") toen reeds overleden. Zelfs nu zijn amper drie van de tien juryleden vrouwen. In de Académie Française zou het zelfs tot 1980 duren vooraleer de eerste vrouw (Marguerite Yourcenar, 1903~1987) werd toegelaten! Vandaar trouwens dat de Prix Fémina werd ingesteld. Maar al vlug gingen ook daar de mannen met de meerderheid van de prijzen lopen.

Schrijfsters als George Sand of George Eliot maten zich daarom zelfs een mannennaam aan om ernstig genomen te worden. Daar hadden de vrouwelijke schrijfsters echter zelf ook schuld aan. In "Silly Novels by Lady Novelists" rekent George Eliot b.v. af met sentimentele kwezels die vrouwelijke auteurs een slechte naam bezorgen. Tegelijk is dit echter ook het bewijs dat literatuur altijd al één van de kunsten is geweest waarin de vrouwen tamelijk goed aan bod konden komen.

(.../...)

In Engeland was er Joyce Cary. Zij vertoonde duidelijke invloed van George Eliot, net als Jean Rhys (Ella Rees Williams, 1894~1979). Met Wide Sargasso Sea schreef deze vroegere cabaretdanseres (toen noemde ze zich Vivien Grey) het verhaal van de eerste mevrouw Rochester, met andere woorden de krankzinnige vrouw die verborgen gehouden wordt in Jane Eyre van Charlotte Brontë. (De componist Peter Maxwell Davies deed min of meer hetzelfde met Miss Donnithorne’s Maggot, maar dat was dan wel het waar gebeurde verhaal van een oude dame die model stond voor Miss Havisham in Great Expectations van Charles Dickens. Ook hier geeft dus de eenzaamheid van de vrouw die vlak voor haar huwelijk in de steek wordt gelaten de hand aan de waanzin die eruit voortvloeit. En uiteindelijk komt ze ook om in een brand!)

Alhoewel gepubliceerd in 1966 was dit het eerste boek van Jean Rhys sedert 1939, toen ze gestopt was met schrijven omdat de erkenning uitbleef (toen de BBC in 1957 Goodnight Midnight wou aanpassen als luisterspel, ging men ervan uit dat ze al overleden was!). Het spreekt dus als het ware vanzelf dat dit een moeilijk boek is geworden. Het gegeven zelf is alleszins een schitterende vondst. Bovendien is het ook goed ingepast in het verhaal van Brontë. Het is dan ook geen wonder dat John Duigan in 1992 op het gedacht is gekomen om nu eens in plaats van de zoveelste remake van Jane Eyre, dit boek te verfilmen, jammer genoeg niet met het vervolg van Charlotte Brontë erbij. Want alleen het vrouwelijke hoofdpersonage zou veranderen. Jane Eyre zou de mistige figuur worden, die Antoinette Cosway is in Brontë’s boek.

Maar wie is Antoinette Cosway? Zij is een Creoolse erfgename van een door inteelt decadent geworden ras, waarin de krankzinnigheid inderdaad welig tiert. Ook dit heeft Rhys dus van Brontë overgenomen. Alleen wordt haar ziekte, aangezien de sympathie van de schrijfster duidelijk naar het vrouwelijke personage uitgaat, veel genuanceerder benaderd. Enerzijds is er het feit dat de haat van Rochester, als hij ontdekt dat hij er door haar én door zijn eigen familie ingelazerd is, het krankzinnigheidsproces in hevige mate versnelt. Het is een beetje het verhaal van de kip en het ei: wat kwam eerst? De haat of de krankzinnigheid? Als Rochester in een brief naar zijn vader schrijft dat hij doorheeft wat men met hem heeft uitgehaald, dan kraait de haan op het erf ...

Ook in het korte derde deel dat zich in Thornfield Hall afspeelt, beklemtoont Rhys hoe harteloos hij wel is in de opsluiting die zijn echtgenote ten deel valt, zelfs al zou ze totaal krankzinnig zijn.
Anderzijds is er ook de rol van de lokale obeah-cultus op Jamaica (wat op Haiti voodoo wordt genoemd). Er is vooral de invloed van een zekere Christophine, waarvan gesuggereerd wordt dat ze een (uiteraard onwettige) halfzuster is van Antoinette, die van de ene kant Antoinette totaal in haar macht heeft en van de andere kant ook een vloek legt op Rochester. Of eigenlijk doet hij dat zelf: "Ik zou het licht uit mijn ogen geven om dit eiland nooit te hebben moeten zien" zegt hij, en dat is natuurlijk precies de losprijs die hij zal moeten betalen om uiteindelijk toch met Jane Eyre het geluk te kunnen vinden.

uit dagelijks iets degelijks van Ronny De Schepper: 20081002




links

arrow up | pijl naar boven